Gastcolumn: Arische neuzen, Westerse storm

Gastcolumn van schrijver en filmmaker Beri Shalmashi. Momenteel werkt ze aan een roman over Caïro en is ze bezig met een verfilming van het boek ‘Het huis van de Moskee’.

Bij mijn moeder aan de ontbijttafel gaat het vandaag over niets dan thee, kaas, brood en stilte. Ze kijkt naar een film op een Perzische zender. Een stel zit in de auto. Ze draaien Engelstalige liefdesliedjes. De vrouw wordt in de file getroffen door een oproep tot gebed en, haast in slow motion, probeert een klein meisje in een passerende auto tot haar door te dringen uit verdriet. Daar houd ik van, verdriet. Het doet me goed wanneer mijn moeder toelicht dat het stel geen stel is, maar oude geliefden die elkaar tegenkwamen op het vliegveld. Daar schuilt een pijnlijke schoonheid in, want je weet, je hoopt dat de twee zich storten in het openscheurenvan oude wonden, om die dan bij elkaar schoon te kunnen likken. Liefde.

Het tweetal praat en praat en praat, ze stoppen voor koffie, ze praten over oud zeer en nieuwe liefdes. ‘Ze doen dus hele Westerse dingen’, bedenkt mijn brein. Ik kan mezelf wel voor de kop slaan. Want ‘Westers’ betekent vaker ‘herkenbaar’ dan dat het gekopieerde gewoonten zijn uit ons zelfbenoemde epicentrum van de wereld. Er zweven beladen termen door mijn hoofd; kapitalisme, globalisatie, onderdrukking, woorden die te vaak vanuit een eenduidig punt de hele aarde willen definiëren.

Mijn moeder doorsnijdt die pseudofilosofische gekte, wanneer de ex-geliefden wandelen door Isfahan, een stad die ik slechts ken uit films, foto’s en verhalen. Alles is mooi. Alles is tijdloos. Alles is gebouwd uit toewijding. ‘Wanneer ik weer naar Iran kan, wil ik naar Isfahan.’, zegt ze. In dat simpele verlangen schuilt eenzelfde pijnlijke romantiek als bij de exen uit de film. We beseffen beiden dat de terugkeer naar Iran ofwel nooit komt, of, in het andere uiterste, tijdens de euforie van een revolutie. Een bijna antieke droom. In de film zit het stel etend in een restaurant vol koppels, mannen in keurige pakken, vrouwen in chique hoofddoekjes, beeldig opgemaakt, de neuzen naar Arisch voorbeeld gemodelleerd. In plaats van een idyllische scène, zie ik een representatie van een land vol opgekropte erotiek, wegkwijnende verlangens, hysterische extremen die zodra de sluiers thuis worden afgeknoopt tot heftige ontlading komen; ruzie en seks.

Hoezeer ik ook verlang naar het Iran van na de revolutie, soms ben ik ook een beetje bang. Voor een prachtig land, dat na een zware tocht naar vrijheid in een Westerse storm raakt. Dat als je in een sprookjesachtige stad als Isfahan loopt alleen de architectuur verwijst naar de wortels. Ik besef me tegelijkertijd, dat dit mij tot een Westerse egoïst maakt, dat ik wil dat hier alles kan, zolang het dáár allemaal puur blijft. Angstig dat mijn generatiegenoten in Iran met de revolutie mee huis, haard en cultuur de deur uit smijten. Alsof ze uit verachting voor de idiote gang van zaken in de laatste dertig jaar, ook per ongeluk de schoonheid van hun afkomst zullen lozen. En dat mijn moeder dan, dromend van het authentieke Isfahan, in al haar oprechtheid door gebroken dromen wandelt

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Brenda\\\\\\\'s Anti-spam *