‘Mijn vrienden zijn nu in de hemel’ Kindsoldaten van IS

Publicatie: Groene Amsterdammer

Honderden jezidi-jongens werden door IS getraind om voor de terreurgroep te strijden of om zelfmoordaanslagen te plegen. Sommigen wisten te ontsnappen. Zij leven nu in opvangkampen in Noord-Irak, waar de hulp grotendeels ontbreekt.

SNEAKERS, EEN T-SHIRT en een modern kapsel. Op het eerste gezicht lijkt Majdal een doodgewone jongen, maar zo voelt hij zich al lang niet meer. Alles wat stond voor zijn kindertijd werd vernietigd toen Islamitische Staat (IS) in augustus 2014 zijn woonplaats Kocho met geweld binnenstormde. Majdal werd gescheiden van zijn moeder en zussen en naar Raqqa gebracht. Hij was elf jaar toen hij in een militair trainingskamp van de terreurgroep belandde. ‘Vergeet je geloof, vergeet je familie en vergeet je verleden. Vanaf vandaag heet je Abu Otman en ben je moslim’, was het eerste dat de IS-leider in het kamp tegen hem zei.

‘Kijk, dat ben ik toen ik bij Da’esh zat’, vertelt de nu veertienjarige tiener, en opent een filmpje op YouTube. Schelle tonen van een jihadistische nasheed, een islamitisch religieus lied, overstemmen het geluid van de airconditioning in de benauwde vluchtelingentent. Op het Samsung-scherm zien we beelden van een IS-trainingskamp voor jongens. We zien Majdal met een IS-hoofdband om zijn zwarte haar, kaki legerkleding en een jonger gezicht. In de video kijkt hij strak voor zich uit, terwijl de IS-strijder naast hem in het Arabisch het woord voert. ‘Het blijft vreemd om jezelf zo terug te zien’, zegt hij.

Het is een van de talloze video’s die de terreurgroep de afgelopen jaren uitbracht. Naarmate het IS-kalifaat in Irak en Syrië begon af te brokkelen verscheen er steeds meer propagandamateriaal waarin kinderen van (buitenlandse) strijders trainen en executies uitvoeren, zo ook jezidi-kinderen. Ze werden niet alleen gebruikt om de jezidi-gemeenschap te vernederen en angst in te boezemen, maar ook om IS-aanhangers te ‘inspireren’. Ook Majdal verscheen tweeënhalf jaar lang in meerdere video’s.

Eén moment staat in zijn geheugen gegrift. Dat was toen zijn groep naar een plaats nabij de Syrische stad Aleppo werd uitgezonden om tegen het Vrije Syrische Leger (fsa) te vechten. In eerste instantie weigerden Majdal en een paar andere kindsoldaten. ‘Het is vechten, of verhongeren’, dreigden de jihadisten. De maaltijden stopten ze vol met drugs. ‘Na het eten voelde ik me onoverwinnelijk, een held zelfs. Als ze me toentertijd hadden gevraagd om mezelf in brand te steken, had ik het zonder aarzelen gedaan’, zegt Majdal.

Majdal en de rest deden wat er van hen gevraagd werd. In het wilde weg schietend, renden de kinderen op de rebellen van het Vrije Syrische Leger af. Angst kenden ze niet. De tegenpartij daarentegen wel. ‘Die verbazing op hun gezichten toen we op hen af stormden zal ik nooit vergeten. Ze trokken zich direct terug.’

In zijn unit zaten jezidi- én Arabische kinderen. De terreurgroep plaatste expres kinderen in de frontlinie met de bedoeling om de kogels en granaten op te vangen voor de volwassen strijders, vertelt Majdal. Hij gokt dat ongeveer negentig procent van de jongens in zijn frontlinie-unit is omgekomen, waaronder een zestienjarige jezidi-jongen. ‘Op een dag zagen we de vijand in de verte. Nog voordat er een schot gelost werd, rende Bassem in volle vaart op hen af en begon te schieten. Maar toen de fsa hem zag, stopte hij opeens. Bassem ging rustig zitten in een open veld. Hierna werd hij doodgeschoten door strijders van de fsa.’

Of Bassem van plan was zich over te geven of de dood bewust heeft opgezocht, is onbekend. Voor het eerst tijdens het uren durende gesprek krijgt Majdal tranen in zijn ogen. Ter afleiding opent hij zijn Facebook-pagina op zijn mobieltje. Die heeft hij aangemaakt na zijn ontsnapping, bijna twee maanden geleden. ‘Mijn vrienden zijn nu in de hemel’, zegt Majdal en begint ijverig op zijn telefoon te scrollen.

IN AUGUSTUS 2014 vielen militanten van het fundamentalistisch-soennitische IS de jezidi-dorpen en steden in het Sinjar-gebergte binnen. Honderdduizenden die weg konden komen, vluchtten. Degenen die in handen vielen van IS wachtte het noodlot. Omdat IS de jezidi’s als duivelsaanbidders beschouwt, was alles geoorloofd. De mannen werden vermoord en in massagraven gedumpt; de vrouwen en meisjes werden verkocht aan IS-strijders of sympathisanten. Honderden jongens, die nog niet of nog maar net de puberteit hadden bereikt, werden van hun moeders en zussen gescheiden en naar opleidingskampen gebracht. In de zogenoemde cubs of the caliphate -kampen werden de jezidi-jongens opgeleid tot strijder. Sommigen waren nog maar zeven jaar oud. De Verenigde Naties spreken van een volkerenmoord.

We zijn in de Koerdische Autonome Regio in Irak, waar sinds de genocide honderdduizenden jezidi’s naartoe zijn gevlucht. In verschillende tentenkampen en dorpen spreek ik jongens die door IS gedwongen op het strijdtoneel belandden. Sommigen werden jarenlang ingezet en zijn pas net bevrijd. De jongens tonen video’s of foto’s uit die tijd. Op de beelden dragen ze legerkleding, poseren ze met een opgestoken wijsvinger (een verwijzing naar dat er maar één god is) of houden een kalasjnikov vast. In de ‘leeuwenwelpenkampen’ kregen ze wapentraining, leerden ze met welke materialen je een bom in elkaar kunt zetten en werden ze continu geïndoctrineerd met de moordlustige ideologie van IS.

Majdal frunnikt aan zijn spijkerbroek. ‘Je kunt je niet voorstellen hoe het leven daar was, dat kan niemand. Van hoe je iemand het best kunt vermoorden tot het in elkaar zetten van bommen: alles, écht alles, draaide om geweld.’ De jongens moesten iedere nacht tussen vier en vijf uur opstaan om het ochtendgebed te verrichten. Dan volgde een intensieve militaire training van een paar uur, gevolgd door theorielessen over het leven van de profeet Mohammed, de koran en het islamitisch (oorlogs)recht. De theorielessen eindigden pas laat in de avond. ‘Iedere dag moesten we om tien uur in bed liggen. Zes uur later stonden we weer op voor het gebed. Van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat waren we bezig’, vertelt Majdal. Tijd om de koranteksten uit het hoofd te leren was er niet. ‘Maar dat maakte Da’esh niets uit. Als ze erachter kwamen dat we niet geleerd hadden, bonden ze onze handen en voeten aan elkaar vast. Hierna werden we geslagen met elektriciteitskabels.’

Ook Ahmed werd geslagen met kabels als hij niet deed wat IS wilde. De zestienjarige jongen herinnert zich de trainingen nog goed, met name de dag waarop hij uitleg kreeg over het vermoorden van ongelovigen. ‘Als je niet-moslims gevangen neemt, neem je de vrouwen mee. De mannen vermoord je door hun nek open te snijden, zoals je een schaap slacht.’ Ter illustratie zette IS een dvd op. ‘We zagen hoe een sjiitische man op zijn knieën werd gedwongen. Ze zeiden: “Dit is wat we doen met ongelovigen, en als het met het mes niet lukt, schiet je ze gewoon neer”‘, vertelt Ahmed, die samen met zijn broertje Amir (15) in het kamp terechtkwam.

IS dwong ze vaker naar executievideo’s te kijken, getuigen meerdere jongens. Volgens experts doet de terreurgroep dat om de jongste generatie strijders te laten wennen aan extreem geweld. Ook het schaarse voedsel werd gebruikt om de jongens naar hun hand te zetten. Als ze het slagveld op moesten, werden er drugs in gestopt. Als ze de rust wilde bewaren, stopte de terreurgroep er slaappillen in. Opeten was de enige optie; de jongens waren al lang blij als ze eindelijk een maaltijd voorgeschoteld kregen. ‘Om extra eten durfden we niet te vragen. We waren doodsbang’, vertelt Ahmed.

Hij wist direct: ik moet hier zo snel mogelijk weg. Ahmed verzamelde al zijn moed om een telefoon te confisqueren. Toen de dag aanbrak dat IS even niet oplette, verstopten de broers zich tussen de wanden van het plafond in de moskee, net na het gebed. Hierna zetten ze het op een rennen. Toen ze na negen dagen lopen aankwamen op een veilige plek werden hun familieleden in de Koerdische regio gebeld. Na tien maanden gevangenschap waren ze eindelijk vrij.

OP DE KOERDISCHE NIEUWSZENDERS verschijnen om de haverklap beelden van vrouwen en kinderen die na jarenlange gevangenschap huiswaarts keren. Sommigen weten zelf te ontsnappen, maar de meesten worden door een netwerk van smokkelaars uit IS-gebied gehaald. Jezidi-families en de Koerdische overheid leggen hier immense bedragen voor neer, variërend van tienduizend tot wel vijftigduizend euro. Volgens de lokale autoriteiten zijn er inmiddels zo’n drieduizend jezidi’s bevrijd, waaronder 780 jongens van nul tot achttien jaar. Na jaren gevangenschap keren zij terug naar hun familie in de tentenkampen. Tenminste, naar wat er van hun familie overgebleven is – duizenden jezidi’s worden nog altijd vermist. Op het lokale nieuws zien we hoe een huilende vader in elkaar stort als hij eindelijk herenigd wordt met zijn zoontjes. Zijn vrouw en tienerdochter zitten nog in Raqqa.

De tienjarige Akram werd voor tienduizend dollar vrijgekocht door zijn oom. Zijn moeder werd door IS verkocht als seksslavin en zijn vader is spoorloos verdwenen; waarschijnlijk is hij vermoord. Toen het jongetje eindelijk uit Syrië werd gesmokkeld kwam hij automatisch bij zijn oom in een kamp voor ontheemden te wonen.

Toen IS Sinjar innam, werd Akram door vijf kogels in zijn buik geraakt. Ze brachten hem naar een ziekenhuis in Mosul, waar hij weken lag om te herstellen. Eenmaal genezen werd Akram in een kindertrainingskamp geplaatst. Maar toen hij vanwege zijn beschadigde nieren en zijn opstandige gedrag vrijwel nutteloos bleek op het strijdtoneel verkocht de terreurgroep hem als huisslaaf aan verschillende families in Syrië. Hier werd hij uitgebuit en mishandeld.

‘Net na zijn thuiskomst noemde Akram iedereen een kafir (ongelovige) en vond hij alles wat hij in het kamp zag haram (verboden)’, vertelt Saud Msto Najim, manager van het ontheemdenkamp, en zelf ook een jezidi. Om Akram te helpen re-integreren in de samenleving mag hij kleine klusjes verrichten in het groentewinkeltje van zijn oom. Toch gaat hij maar mondjesmaat vooruit. ‘Akram plast om de haverklap in bed en is agressief tegen andere kinderen. Hij wordt vaak zonder duidelijke reden ontzettend boos. Dan slaat hij met boeken en gooit met speelgoed. Akram heeft dringend hulp nodig’, vertelt Najim, die zich als een vader over de jongen heeft ontfermd.

Het gesprek met Akram verloopt via de kampmanager, omdat Najim een van de weinigen is die hij vertrouwt. In het kantoor waar we zitten, zijn de wanden en meubels spierwit,

afgezien van twee reusachtige, bruine banken. Er staat amper iets op de bureautafel, toch grijpt Akram continu naar de kantoorartikelen die er wel liggen. Zijn ogen flitsen door de kamer, alsof hij zich opgejaagd voelt. Af en toe lacht hij schel, bijvoorbeeld wanneer hij vertelt over hoe bang hij was voor straf toen IS zag dat hij na het nemen van een douche geen broek aan had. ‘Naakt zijn is haram’, roept hij, draaiend op de bureaustoel van Najim.

Het ene moment vertelt Akram dat hij vroeger geen voetbal had om mee te spelen. Het andere moment heeft hij het over het onthoofden van teddyberen. De wirwar van herinneringen over het leven voor, tijdens en na IS eindigt met een helder verhaal over zijn ouders. Hij mist ze. ‘Als ze nog leven, dan hoop ik dat we elkaar weer zien. Maar als ze dood zijn, hoop ik dat ze nu bij God zijn’, zegt Akram. Opeens klinkt zijn stem akelig volwassen.

DE TRAUMATISCHE KLACHTEN en gedragsproblemen van Akram zijn niet ongewoon, zegt Mark Jordans, hoofddocent aan King’s College London en hoofd research & development bij hulporganisatie War Child. Ze komen vaak voor bij kinderen die in de oorlog zijn opgegroeid, met name bij kinderen die gerekruteerd zijn door gewapende groepen. Uit zijn eigen onderzoek naar ex-kindsoldaten in Nepal bleek dat vijftig tot zestig procent leed aan een scala van psychische klachten, variërend van depressies tot agressief gedrag. ‘Bij kinderen die opgroeien in de oorlog, en niet door gewapende groepen zijn ingezet, is dit minder, namelijk veertig procent. Ex-kindsoldaten hebben daarnaast tweeenhalf keer zo veel kans op depressies en ptss als kinderen die niet gerekruteerd zijn’, aldus Jordans.

De meeste klachten zijn met psychosociale hulp te verhelpen, vervolgt hij, maar dat is nou net waar het vaak aan ontbreekt in conflictgebieden. Dat heeft er enerzijds mee te maken dat er in een regio als het Midden-Oosten weinig (h)erkenning is voor mentale problemen – er rust een taboe op – waardoor er simpelweg te weinig psychologen zijn. Anderzijds is het ook een financiële kwestie: het geld gaat vooral naar praktische zaken als huisvesting, scholing en voedselvoorziening.

‘Als ik eerlijk ben is dit het grootste obstakel voor de hele sector’, zegt Jordans, ‘hoe ga je dit soort zorg verankeren in lokale systemen? Dat is nu nog heel erg afhankelijk van de internationale gemeenschap. Daarnaast is het belangrijk dat je een breed pakket aanbiedt, waarin je ook kinderbescherming en educatie meeneemt. Psychosociale zorg is noodzakelijk, maar niet voldoende.’

In de officiële opvangkampen is de hulp het best geregeld, omdat internationale ngo’s zich daar gevestigd hebben. Maar de Koerdische regio kent talloze opvangkampen met verschillende organisaties met elk hun eigen aanpak en doelgroepen, en overal geldt dat er een tekort is aan geld en hulpverleners. Van alle geïnterviewde jongens kreeg alleen Ahmed begeleiding van hulpverleners.

‘Kinderen en tieners kijken vaak de kat uit de boom. Je moet eerst hun vertrouwen winnen, want kinderen die onder IS hebben geleefd zijn vaak angstig. Sommigen lijden aan sociale fobie. Ze dachten zelfs dat ik bij IS hoorde, omdat ik een baard had. Ze zien IS in iedereen’, aldus Bijar Abid Arif, een Koerdisch-Iraakse psycholoog. Ooit had hij moeite met het vinden van een baan binnen zijn vakgebied, totdat de oorlog uitbrak. Nu werkt hij voor War Child in Irak, en heeft hij onder anderen Ahmed behandeld.

‘Net na zijn ontsnapping hoorde ik dat Ahmed ptss-achtige klachten had. Hij had het steeds over de islam, sliep slecht en was soms agressief tegen zijn moeder. Ik bezocht Ahmed in de tent van zijn familie, en legde uit dat ik wilde helpen. Hierna hoorde ik tien dagen niks.’ Uiteindelijk zocht de tiener hem zelf op, vertelt Arif. ‘We speelden samen basketbal. Hij begon te huilen. “Da’esh dwong mij te vergeten hoe leuk ik dit vind”, zei hij. De trauma’s kwamen eruit. Inmiddels gaat het veel beter met hem.’

Ahmed zelf is inmiddels al weggelopen. ‘Het spijt me, maar school gaat voor’, zei hij vrolijk. Hierop trok hij een nette, witte blouse aan, deed vluchtig wat gel in zijn haar en rende snel richting de kampschool.

MAAR ANDERE FAMILIELEDEN van ex-kindsoldaten geven aan dat hun kinderen worstelen om te re-integreren in de maatschappij. Psychologische hulp krijgen ze niet. In een betonnen woning aan de rand van Khanke, een jezidi-dorp nabij de Koerdische stad Duhok, vertelt Gulan dat het al weer een jaar geleden is dat ze bevrijd werden uit het IS-kalifaat. Maar het gedrag van haar zoontje Nawzed (8), een mollig jongetje met blond haar en groene ogen, is niet verbeterd. Samen met zijn neefje speelt hij gewelddadige spelletjes. Zo bonden ze recentelijk een buurjongetje vast aan een stoel. Ook heeft Nawzed laatst op straat een kip onthoofd.

In 2014 werden Gulan en Nawzed gekocht door een IS-strijder genaamd Abu Ahmed. Abu Ahmed nam Nawzed iedere dag op sleeptouw. ‘Alsof het zijn eigen zoon was’, zegt Gulan verdrietig. De IS-strijder bracht hem naar de opleidingskampen, leerde hem schieten en dwong Nawzed om naar video’s te kijken waarin mensen werden vermoord. In het begin huilde Nawzed vaak; hij miste zijn vader. ‘Waarom huil je om je vader? Moslims huilen niet om ongelovigen’, zei Abu Ahmed. Nawzed was toen zeven jaar.

Door IS raakte Nawzed geobsedeerd door messen en pistolen, vertelt zijn moeder: ‘De keukenmessen moet ik verstoppen, anders pakt hij ze. Nawzed kan niet alleen worden gelaten met scherpe voorwerpen.’ Laatst kreeg Nawzed toch een mes in handen. Zijn moeder zag het. Ze vroeg wat hij van plan was met dat mes, waarop Nawzed riep: ‘Ik ga mijn ooms hoofd afsnijden.’ Gulan probeerde haar zoontje te kalmeren. ‘Kom op, je bent nog maar een kleine jongen. Je kan en mag helemaal geen mensen doden.’ Nawzed zei daarop dat hij groot genoeg is om iemand te vermoorden, vooral zijn oom, want dat is ‘toch maar een ongelovige’.

De scheidslijn tussen het behandelen van psychologische trauma’s en het ongedaan proberen te maken van indoctrinatie met gewelddadig religieuze denkbeelden is soms dun. De Koerdische regering erkent dat er vooralsnog geen vanuit de overheid georganiseerde re-integratietrajecten voor deze jongens bestaan, laat staan de-radicaliseringsprogramma’s.

Alle jongens, dus ook Arabieren en Koerden, die terugkeren uit IS-gebied worden onderworpen aan veiligheidsscreenings. Tieners die als een direct gevaar voor de samenleving worden gezien belanden op een speciale gevangenisafdeling. Na meerdere weken rondbellen, na met officials te hebben gesproken in stoffige kantoren en zelfs na een bliksembezoek aan de jeugdgevangenis in Duhok (waar momenteel 87 jongens gerehabiliteerd worden) is het nog niet duidelijk welke criteria de autoriteiten hanteren om iemand op te sluiten. ‘Veiligheidsoverwegingen’ zegt iedereen.

Uit de verhalen van ambtenaren van de Koerdische Regionale Overheid (krg) blijkt dat ze zich zorgen maken, ook om degenen die door de veiligheidscheck zijn gekomen. ‘Laatst sprak ik een dertienjarige jongen die op het eerste gezicht volslagen normaal overkwam, maar die wel in detail kon vertellen hoe je iemand moet onthoofden’, zegt Jaafar Mayi, voorzitter van een speciale genocidecommissie die is ingesteld door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. ‘Ik schrok me een ongeluk. Deze jongen is mogelijk een gevaar voor zichzelf en de gemeenschap. Het ergste is dat er geen hulp is voor dit soort jongens.’

‘We leren niets van het verleden’, verzucht Hussein Alqaidi, directeur van de afdeling kidnappingszaken. Hij vindt dat er veel meer internationale steun nodig is. Niet alleen om de jezidi-jongens te helpen integreren maar ook om ze te bevrijden uit de klauwen van IS. ‘Er zitten nog honderden jongens vast bij Da’esh, waar ze wapentraining krijgen, geïndoctrineerd worden en leren hoe ze zichzelf moeten opblazen. Dat kan dramatische gevolgen hebben voor de toekomst. En wat gebeurt er tot nu toe? Niks’, zegt hij stellig in zijn kantoor in Duhok, waar iedere jezidi die ontsnapt is langs moet komen om zijn of haar papieren opnieuw aan te vragen.

IS ZET STEEDS VAKER KINDEREN IN om aanslagen te plegen. In februari bracht de terreurgroep nog een video naar buiten waarin twee jezidi-tieners een aanslag plegen met een explosievenauto. In de video vertellen de jezidi-jongens Amjad en Asa’ad (11 en 12 toen ze gekidnapt werden) dat ze ooit in ‘onwetendheid leefden en satan aanbaden’, maar dat ze door IS de islam zijn ‘binnengetreden’. Voordat de broers lachend in de explosievenauto’s stappen en wegrijden, zeggen ze dat ze zich vrijwillig hebben opgegeven voor de zelfmoordaanslag. Als laatste zien we drone-opnamen van twee ontploffingen. De video bracht een enorme schok teweeg in de gemeenschap, niet alleen in Noord-Irak, maar ook daarbuiten. Voor de Koerdische regering was het een extra bevestiging dat ook jezidi-jongens voor zelfmoordaanslagen worden gebruikt.

Ismael, de 28-jarige broer van de jongens, kreeg de video onder ogen toen hij onderweg was naar zijn baan bij Walmart. Als voormalig vertaler voor het Amerikaanse leger woont hij sinds de genocide in de Verenigde Staten. Hij was niet van plan ooit terug te gaan naar Irak, maar toen de video verscheen, wilde hij zijn diep getraumatiseerde familieleden bijstaan. Zijn baan en appartement zegde hij op. Nu woont Ismael in een tentenkamp in Noord-Irak.

Het ene moment zegt hij dat hij na het zien van de video dagenlang op bier, Jack Daniel’s en sigaretten heeft geleefd. Het andere moment zegt hij dat het leven doorgaat. In totaal werden 35 familieleden ontvoerd door IS, waaronder zijn ouders, zussen en broertjes. ‘Ik maak me meer zorgen om mijn zussen (25 en 26), die vijf maanden geleden werden bevrijd. Toen ze de video zagen, waren ze zo in shock dat ze in het ziekenhuis belandden. Ze slikken nu slaappillen en antidepressiva, en zijn zo mager geworden’, zegt Ismael.

Hij benadrukt dat zijn broertjes voor de genocide een heel gewoon leven leidden; ze gingen naar school, maakten ruzie met de buurkinderen en hielden van voetbal. FC Barcelona en Real Madrid waren favoriet. Ismael toont een foto van een avondje waarop de hele familie bij elkaar kwam om een belangrijke wedstrijd te kijken. ‘Amjad was een slimme jongen en very good looking. Asa’ad noemden we “de Amerikaan”, omdat hij blond haar had. Ook hij deed het goed op school’, glimlacht hij.

De laatste keer dat hij zijn gevangen genomen familieleden sprak, was toen IS hen net gekidnapt had en zijn moeder hem stiekem belde. ‘Ze hebben zes mannen van onze familie vermoord! Ze zijn onze vijand, onthoud dat’, zei hij tegen zijn moeder. Hij drukte haar op het hart deze boodschap door te geven aan anderen, inclusief zijn broertjes.

Ismael had altijd al het idee dat IS de jezidi-jongens voor zoiets ‘gruwelijks en vernederends’ zou gebruiken. Volgens hem willen ze met deze video een duidelijk signaal afgeven aan de jezidi-gemeenschap: vergeet jullie kinderen, ze zijn nu van ons en we zullen ze tegen jullie gebruiken. Ergens hoopt hij op een godswonder. Hij hoopt dat de video in scène is gezet en dat zijn broertjes nog gewoon leven. ‘Amjad en Asa’ad waren pientere jongens. Waarschijnlijk hebben ze zich met alles wat ze in zich hadden verzet.’

PAKWEG ANDERHALVE WEEK later zoek ik Majdals tent weer op. Majdal is nog niet thuis. Ik vraag hoe het nu met hem gaat. ‘De eerste weken zei mijn broertje bijna niets. Iedere nacht sliep ik naast hem, omdat ik me zorgen maakte. Majdal lag vaak te woelen vanwege nachtmerries. Ook vond hij het vreemd dat de vrouwen er hier zo onbedekt bij lopen, met half ontblote armen en zonder gezichtssluier’, vertrouwt zijn broer Bahjat me toe. ‘Maar we zien vooruitgang; het gaat steeds beter. Ik geloof niet dat hij is gebrainwasht. Dan zou hij zich heel anders gedragen.’

In het begin was Majdal bang dat de hechte jezidi-gemeenschap hem nog steeds als een IS-strijder zou zien, en niet als een jezidi. Het tegendeel bleek waar. Voortdurend lopen er buurtgenoten en familieleden in en uit. Zijn familieleden schenken mierzoete thee in voor de gasten. Iedereen wil even gedag zeggen tegen de jongen die na al die jaren eindelijk is bevrijd. Dat hij het heeft overleefd, zien ze als een wonder.

Majdal komt binnenwandelen. Hij heeft net een intakegesprek gehad om naar Duitsland te emigreren, waar zijn moeder en zusje wonen. Duitsland heeft een speciaal opvangprogramma voor jezidi-vrouwen en -kinderen die ontsnapt zijn aan IS. Over een paar weken hoopt hij te vertrekken.

Toch is Majdal niet echt opgelucht; hij maakt zich zorgen om de jongens die hij achterliet. Zelf veinsde hij religieuze ijver om te kunnen overleven, maar hij heeft ook talloze kinderen gezien die na jaren van indoctrinatie precies redeneerden als IS-strijders. Dat waren vooral de jongsten, die nauwelijks herinneringen hadden aan het leven vóór IS. ‘Ik kan nu bommen maken, ik kan allerlei slechte dingen doen, hier in Koerdistan. Maar ik doe het niet, want ik weet dat het fout is’, zegt hij wijs. ‘Maar hoe zit het met de kinderen die denken dat ze het goede doen? Dat is immers wat IS hen al die tijd heeft geleerd: je moet de ongelovigen vernietigen, want dan kom je in het paradijs.’

Dit artikel is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten (fondsbjp.nl)

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Brenda\\\\\\\'s Anti-spam *