Tag Archives: Joris-Luyendijk

Caïro, waar uitlaatgassen lekker ruiken

Met 140 kilometer per uur vliegt hij over de snelweg. De wagen rammelt. Terwijl de geluiden van onbekende Egyptische artiesten door de taxi heen vliegen, verzekert hij me dat hij de beste chauffeur in Egypte is. Ik zit achterin het voertuig. Dat heb ik van de  Joris Luyendijk geleerd. In Egypte zitten de vrouwen achterin de auto. Terwijl ik doodsangsten uitsta, kijk ik naar de chauffeur. Standvastig,  roekeloos en hoopvol. Net als de rest van de bevolking.

In de spiegel zie ik dat hij naar me lacht. De gele tanden glanzen in de avondzon. Hij mist een hoektand. Ik lach gespannen. ,,You want cigarette?’’ vraagt hij.  Wanneer ik weiger, duwt hij me een fles water in de handen. Zelf steekt hij er om de tien minuten eentje op. Het verkeer is saai voor een taxichauffeur die in zijn auto leeft. Voorspelbaar. Nee, de revolutie, die was pas spannend. Nu gaat alles weer bergafwaarts, vindt hij. De strijd broedt in zijn Egyptische hart. Hij scheldt naar andere weggebruikers, die beter rijden dan hij. Zo snel als dat hij schreeuwt, lacht hij ook weer.

Caïro. De stad lijkt op een asbak. Niet door de rook, maar door de uitlaatgassen. Voor de bruine huizen staan mannen te roken. Ze lopen kriskras over de weg, waar bestuurders rijden alsof ze morgen doodgaan. Mensen gekleed in sloeberkleren lopen tussen de files door. Ze verkopen zakdoeken. Wanneer we stilstaan, geef ik uit medelijden een paar Egyptische ponden. Dat er een heel gezin op een motor past, is de gewoonste zaak van de wereld. Net als het feit dat er compleet weeshuis op de laadbak van een vrachtwagen zit.

We rijden langs een aantal soldaten die langs de kant van weg op een tanker zitten. ,,They wait until every tourist took picture of them.’’ Hij lacht om zijn eigen grap. Het lachen wisselt hij af met een hoestaanval. Ik vraag me af welke toeristen hij bedoelt. Sinds de revolutie zijn er weinig meer. Het verkeer wordt minder. Een glimlach siert mijn gezicht. Ik ontspan me. Hoe oud zal hij zijn, vraag ik me af. Ik gok op een jaar of vijftig. Als hij de Caïro-gekte al jaren overleeft, zal ik ook wel veilig aankomen.

Tussen het racen door stel ik hem vragen over de revolutie van afgelopen januari. In gebrekkig Engels geeft hij antwoord.  Zijn antwoorden verpakt hij in een grapje. Wel geeft hij aan dat de mensen ‘losser’ zijn geworden. ,,After revolution we say everything,’’ vertrouwt hij me toe. Toch maakt hij zich zorgen: dit kan volgens hem nooit lang goed gaan, zo met het leger aan de top. Hij wrijft over zijn grijze haar en trekt zijn kleding recht. De blouse die eens mooi moet zijn geweest, heeft nu dezelfde kleur als de huizen. Ik vraag me af waar hij woont. Vast in een arme wijk.

Caïro. De stad waar rijk en arm ver uit elkaar ligt, waar mensen lachen en huilen tegelijk en waar de uitlaatgassen bijna lekker ruiken. Waar taxichauffeurs dag en nacht werken en waar bedelaars op iedere straathoek staan. Maar ook de stad van de revolutie en de hoop. Waar mensen blijven strijden voor een betere toekomst. Een democratische toekomst.

De zon is weg. In het donker komen we aan. Hij stopt voor mijn deur in de wijk Maadi. Een expatwijk waar de mensen nog een beetje geld hebben. De taximan doet de deur voor me open en vraagt me 70 pond voor de rit. Ik geef hem het geld, hoewel ik weet dat het teveel is. Ik wens hem een fijne avond. Vandaag kan hij eerder naar het Tahrirplein. Hij lacht naar mij. Tussen zijn kapotte voortanden prijkt een sigaret. Met 100 kilometer per uur scheurt hij weg, de duisternis in. Niet wetende dat een nieuwe revolutie zo dichtbij is.