Verbonden door het oorlogsleed

Artikel in het AD

Syrische vluchtelingen liefdevol opgevangen in Irak

Geschreven voor het Algemeen Dagblad 25-05-2013

DUHOK- Miljoenen Syrische vluchtelingen leven in mensonterende omstandigheden in een van de buurlanden. In het Iraakse Domiz is alles anders. Geen krotjes, huilende kinderen of wanhopige ouders, maar lachende gezichten, keurige tentjes en veel winkels. De Koerdische Irakezen waren ooit zelf het slachtoffer van een oorlog en staan daarom nu voor hun Syrische buren klaar. ,,Wij zijn één volk.”

De tenten ogen schoon. Buiten spelen kinderen lachend een spelletje in keurige straten, die ruiken naar versgebakken brood. Aan de randen van het kamp staan winkels, koffietenten en zelfs een suikerspinnenkraam. Welkom in Domiz, opvangkamp voor Syrische vluchtelingen in Koerdisch Irak. De bewoners lijken opgelucht, en niet alleen omdat ze weg zijn uit de ellende in hun vaderland. Ook omdat het in dit kamp eigenlijk best goed gaat.

In het piepkleine keukentje schenkt Emine tien kopjes thee in. Voor haar gezin en voor de buren, met wie zij bijna alles delen. Emine en haar man Abdelkader kwamen als één van de eersten in het kamp terecht, en wonen hier in een stenen huisje met elektriciteit. Lang niet zo mooi als hun oude woning, thuis in Syrië, maar het stel is tevreden. De mensen in Koerdisch Irak zorgen goed voor hen.

,,De rijken in het kamp delen voedsel, kleding, potten en pannen met de armen,” zegt Emine. ,,Ons toilet wordt ook door zes andere gezinnen gebruikt, want zij hebben geen sanitair. Dat is het minste wat we kunnen doen.”

FOTO: BRENDA STOTER

Emine, haar man en hun zes kinderen hebben veel meegemaakt. Toen de gevechten tussen het Vrije Syrische Leger en de troepen van Al-Assad in het Koerdische deel van Syrië plaatsvonden, werd hun winkel vernield. Abdelkader kon geen werk meer vinden, en op straat werd het steeds onveiliger. Vluchten was de enige optie.

,,Op een dag liep ik naar buiten en zag ik twintig lijken liggen,” vertelt Abdelkader. ,,Toen was ik er klaar mee. Stel je voor dat mijn kinderen dat hadden gezien.” Hij geeft zijn 1,5 jaar oude dochter Zara een aai over haar bol. Het meisje kruipt op zijn schoot. ,,Naar Turkije wilden we niet, want daar houden ze niet zo van Koerden. Hier voelen we ons thuis. We worden niet als buitenlanders gezien, maar horen er echt bij. Ik heb inmiddels werk in Erbil gevonden.”

Het vluchtelingenkamp ligt ten zuidoosten van de stad Duhok en 60 kilometer van de Syrische grens in de Koerdische autonome regio in Irak. Domiz vangt ongeveer 50.000 Syrische vluchtelingen uit Derik, Al-Qamishli, Damascus en Aleppo op, voornamelijk Koerdische Syriërs die niets met de oorlog te maken willen hebben.

In Irak worden ze hartelijk verwelkomd door de regionale regering. Maar nog opvallender: ook de bewoners ontvangen de vluchtelingen met open armen. De mensen in Koerdisch Irak weten hoe het is om in oorlog te leven en te lijden onder een dictator. En nu de vluchtelingenstroom aanhoudt en niet iedereen meer op schoon drinkwater, voedsel en kleding van de regering kan rekenen, steken zij de handen uit de mouwen.

De 22-jarige Ibrahim uit Duhok ruimt samen met andere vrijwilligers al maanden het vuil in het kamp op. Hij krijgt er niets voor. Hij doet het omdat hij het wil. Ibrahim is zelf ook een oorlogsslachtoffer: onder het regime van Saddam Hoessein raakte hij huis en haard kwijt, net als honderdduizenden andere Irakezen. De slachtoffers van Saddam moeten de slachtoffers van Assad helpen, is daarom zijn motto.

,,Wij voelen de oorlog nog iedere dag, wanneer we naar foto’s van overleden familieleden kijken. Door de gifgasaanvallen van Saddam verloor ik mijn halve familie en toen de Amerikanen in 2003 invielen, werd de situatie er niet beter op. Ons gezin raakte dakloos en vluchtte van de ene naar de andere stad. Constant leefden we in angst. Het was verschrikkelijk.”

In dit gebied is in iedere stad wel een herdenkingsplek voor de slachtoffers van de oorlog te vinden, vertelt Ibrahim verdrietig. Hij hoopt dat president Bashar Al-Assad, de dictator die het Syrische volk doet lijden, publiekelijk wordt opgehangen. Net als Saddam Hoessein. ,,Of dat hij verschrikkelijk gemarteld wordt.”

Geld

In een ander deel van het kamp werken vrijwilligers in een pasgebouwd ziekenhuis, dat ook als huisartsenpost fungeert. De wachtruimte zit stampvol ouderen en kinderen die gevallen zijn of kou hebben gevat. ,,Nee, geld krijgen we niet,” zegt een jonge dokter die de volgende patiënt naar zijn behandelkamer begeleidt. ,,Iedereen werkt hier gratis.” En dan is hij weer weg, terug aan het werk. Druk, druk, druk.

Wat volgens Ibrahim ook een reden is om het Syrische volk bij te staan, is dat het voornamelijk om Koerdisch-Syrische vluchtelingen gaat. Hoewel ook ‘normale’ Syriërs natuurlijk welkom zijn, zegt hij er snel bij.

,,Tijdens de Irakoorlog werden Irakezen in Syrië opgevangen. Nu staan wij voor hen klaar. Door onze gemeenschappelijke achtergrond en het leed dat we meegemaakt hebben, voelen we ons verbonden. Of je nou uit Syrië of uit Irak komt: wij zijn allemaal Koerden.”

Deelnemers aan het conflict in Syrië zijn niet welkom, maar vluchtelingen die goedgekeurd zijn, krijgen een verblijfsvergunning waarmee ze kunnen werken en reizen. Sommigen hebben al een baan gevonden. Zoals de man van Ferida. Met het door hem verdiende geld koopt ze nu melk en frisdrank in een kleine supermarkt in het kamp. Zij en haar gezin vertrokken twee maanden geleden uit Syrië.

,,Het Vrije Syrische Leger en Al-Assad zoeken het maar uit,” zegt ze. ,,Het ergste vind ik dat de Koerden altijd de pineut zijn. Eerst in Irak en nu in Syrië. Wij hebben al onze hoop op de Koerdische president Massoud Barzani gevestigd. Hij helpt ons wel.” Gehaast loopt ze naar haar tent, waar vier kleine kinderen op blote voeten naar binnen rennen. Achter haar klinkt luide muziek, naast haar bouwen vier mannen lachend een nieuwe tent op en voor haar worden verse broden verkocht.

De leefomstandigheden in dit vluchtelingenkamp zijn duidelijk stukken beter dan die in de Libanese, Jordaanse en Turkse kampen, waar miljoenen Syrische vluchtelingen in mensonterende omstandigheden leven. Maar Domiz kent ook een duistere kant.

FOTO: BRENDA STOTER

,,Het gaat hier best goed. Misschien zelfs te goed,” zegt Ahmed. ,,Sommige zigeuners maken er misbruik van.” Hij wijst naar een groepje handelaren in de verte. ,,Zij gooien de prijzen omhoog. Corrupte dieven. En er wordt ook behoorlijk wat gestolen.”

In Aleppo had hij een goede baan als monteur, een riant huis en een auto voor de deur. Door de oorlog is hij alles kwijt. Om zijn gezin te onderhouden, wisselt hij geld om in het kamp. Een echte baan heeft hij nog niet gevonden.

Een paar meter verderop wast de 34-jarige Dilma in een teiltje de kleding van haar kinderen. Haar man kwam tijdens een bomaanslag in Syrië om het leven, waardoor ze nu geen inkomsten heeft en geheel afhankelijk is van de hulp van anderen. Met drie kleintjes is het afzien in de kleine tent, hoe goed de zorg van de lokale bevolking ook is.

OORLOGSTRAUMA

,,We krijgen regelmatig eten en kleding van mensen uit de buurt, maar het is nooit genoeg,” zegt ze triest. ,,Mijn kinderen eten soms maar één keer per dag. Rijst en brood. Op hulporganisaties hoef je ook niet te rekenen, want die zijn hier amper.”

De Syrische maakt zich vooral zorgen om het gebrek aan schoon drinkwater. De allerkleinsten zijn vaak ziek, hebben huiduitslag en er is een chronisch tekort aan medicijnen. Bovendien kampen veel vluchtelingen met oorlogstrauma’s. Dilma’s kinderen worden iedere nacht schreeuwend wakker door nachtmerries en hoesten al wekenlang.

Toch vindt ze het leven in Domiz veel beter dan in Turkije, Jordanië of Libanon. En helemáál beter dan in haar eigen land Syrië. Desondanks hoopt ze snel terug te keren, zegt ze huilend. ,,Als Assad morgen neergeschoten wordt, ben ik de eerste die vertrekt. Ik mis mijn oude leventje. En ik mis het graf van mijn man.”

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Brenda\\\\\\\'s Anti-spam *